Dit artikel in de reeks over projecten met een op bottom-up geïnspireerde werkwijze gaat over de nieuwe invulling van het Koud Gas Gebouw: Amsterdam Roest.
Begin 2011 zocht Stadgenoot ondernemers die het Koud Gas Gebouw op het Oostenburgereiland een tijdelijke bestemming konden geven en het pand daarbij zelf wilden opknappen voor dit doeleinde. Thijs Timmers en Nadia Duinker, die op dat moment Canvas op de 7e in het Volkskrantgebouw al vier jaar succesvol runden, schreven een voorstel voor de horecagelegenheid Amsterdam Roest en kregen een huurcontract van vijf jaar aangeboden. Het voorstel was voor Stadgenoot overtuigend door de verbindingen met Canvas op de 7e. De financiering was ook al grotendeels rond dankzij een voorinvestering van Grolsch. De initiatiefnemers beogen om deze investering in vijf jaar terug te verdienen.
In het voorjaar van 2011
werd besloten om het huurcontract te verlengen tot zeven jaar. Tegenover
de gunstige huursom werd de verplichting geplaatst om het gebouw op te
knappen.
Het doel van de initiatiefnemers was in eerste instantie om van Amsterdam Roest een combinatie tussen een camping en een café te maken. Een jaar later is de koers bijgesteld en wordt meer de sfeer van een buurttuin of een park beoogd.
Amsterdam Roest kent wat betreft organisatievorm een bottom-up aanpak, maar is dit in essentie niet omdat Stadgenoot de aanzet heeft gegeven tot het initiatief. Dit laatste geeft echter wel aan dat de waarde van kleine initiatieven die van onderaf worden ontwikkeld, wel wordt onderkend door geïnstitutionaliseerde partijen.
Begin april 2012 bracht Stadgenoot de toekomstvisie voor het Oostenburgereiland naar buiten. Beoogd wordt dit deel van de stad geleidelijk, organisch te ontwikkelen. Stadgenoot zal zodoende geen grootschalig plan maken voor het gehele eiland en dit in één keer uitvoeren, maar stap voor stap kleinere delen aanpakken. Amsterdam Roest heeft de aanzet gegeven tot de transformatie van het terrein en blijft voorlopig aanwezig op het Oostenburgereiland. Inmiddels worden steeds meer publieke functies toegevoegd.
Urban Resort en Stichting Tijdelijk Wonen Amsterdam in ACTA – op initiatief van De Alliantie Ontwikkeling B.V.
Het volgende artikel in de reeks over projecten met een bottom-up
geïnspireerde werkwijze.
Sinds medio 2011 zijn De Alliantie Ontwikkeling B.V. en Urban Resort in gesprek over het voormalige ACTA-gebouw in Nieuw-West. Het gebouw, eigendom van De Alliantie, bevindt zich aan de Gustav Mahlerlaan in de Westelijke Tuinsteden, die momenteel onderdeel zijn van een grote vernieuwingsoperatie. Vele projecten in dit deel van de stad zijn door de crisis stil komen te liggen. Ook De Alliantie zag in dat er anno 2011 geen markt was voor de geplande sloop en nieuwbouw van een woonwijk op deze locatie. Volgend op deze constatering kwamen de gesprekken met Urban Resort op gang om in het pand tijdelijke broedplaatsen en studentenwoningen te realiseren. Hoewel er in maart 2012 nog geen definitieve afspraken liggen, wordt beoogd om een huurcontract van tien jaar af te sluiten met twee partijen, broedplaatsenbeheerder Urban Resort enerzijds en Stichting Tijdelijk Wonen Amsterdam anderzijds. De gedachte is dat De Alliantie de ruimte beschikbaar stelt, maar het beheer gedurende deze periode uit handen geeft en niet de traditionele rol (en bijbehorende taken) van corporatie zal vervullen.
De Alliantie wijzigt met deze aanpak zijn traditionele strategie aanzienlijk en past deze aan op de economisch slechtere omstandigheden. De doelstelling van De Alliantie Ontwikkeling B.V. is echter wel nog steeds dezelfde: de locatie moet ontwikkeld worden. Wanneer het gebouw leeg zou blijven staan zou dit de locatie geenszins ten goede komen. De nieuwe functie kan de buurt een impuls geven, nieuwe bezoekersstromen genereren en bedrijvigheid creëren die nu ongebruikelijk zijn in dit deel van de stad. Het gebouw kan een (tijdelijk) icoon van Nieuw-West worden.
Hoewel dit project niet als bottom-up te definiëren is – het initiatief kwam immers van een geïnstitutionaliseerde partij – wordt de regie wel overgedragen aan de particuliere partijen die er hun intrek nemen. Zo klussen de studenten mee en biedt Urban Resort creatieve initiatieven de mogelijkheid om zich in het ACTA-gebouw te vestigen. Net als in het geval van Heesterveld en Ymere wordt de kracht van de ontwikkeling van onderaf in tijden van crisis erkend en ingezet in de algemene doelstelling, ontwikkeling van een locatie in de stad.
Sinds medio 2011 zijn De Alliantie Ontwikkeling B.V. en Urban Resort in gesprek over het voormalige ACTA-gebouw in Nieuw-West. Het gebouw, eigendom van De Alliantie, bevindt zich aan de Gustav Mahlerlaan in de Westelijke Tuinsteden, die momenteel onderdeel zijn van een grote vernieuwingsoperatie. Vele projecten in dit deel van de stad zijn door de crisis stil komen te liggen. Ook De Alliantie zag in dat er anno 2011 geen markt was voor de geplande sloop en nieuwbouw van een woonwijk op deze locatie. Volgend op deze constatering kwamen de gesprekken met Urban Resort op gang om in het pand tijdelijke broedplaatsen en studentenwoningen te realiseren. Hoewel er in maart 2012 nog geen definitieve afspraken liggen, wordt beoogd om een huurcontract van tien jaar af te sluiten met twee partijen, broedplaatsenbeheerder Urban Resort enerzijds en Stichting Tijdelijk Wonen Amsterdam anderzijds. De gedachte is dat De Alliantie de ruimte beschikbaar stelt, maar het beheer gedurende deze periode uit handen geeft en niet de traditionele rol (en bijbehorende taken) van corporatie zal vervullen.
De Alliantie wijzigt met deze aanpak zijn traditionele strategie aanzienlijk en past deze aan op de economisch slechtere omstandigheden. De doelstelling van De Alliantie Ontwikkeling B.V. is echter wel nog steeds dezelfde: de locatie moet ontwikkeld worden. Wanneer het gebouw leeg zou blijven staan zou dit de locatie geenszins ten goede komen. De nieuwe functie kan de buurt een impuls geven, nieuwe bezoekersstromen genereren en bedrijvigheid creëren die nu ongebruikelijk zijn in dit deel van de stad. Het gebouw kan een (tijdelijk) icoon van Nieuw-West worden.
Hoewel dit project niet als bottom-up te definiëren is – het initiatief kwam immers van een geïnstitutionaliseerde partij – wordt de regie wel overgedragen aan de particuliere partijen die er hun intrek nemen. Zo klussen de studenten mee en biedt Urban Resort creatieve initiatieven de mogelijkheid om zich in het ACTA-gebouw te vestigen. Net als in het geval van Heesterveld en Ymere wordt de kracht van de ontwikkeling van onderaf in tijden van crisis erkend en ingezet in de algemene doelstelling, ontwikkeling van een locatie in de stad.
Hannekes Boom – naar aanleiding van een prijsvraag van de Gemeente
Een vierde artikel in de reeks over projecten met een bottom-up
geïnspireerde werkwijze.
In 2010 schreef de Gemeente Amsterdam een prijsvraag uit voor tijdelijke “horeca-plus” op de kop van de Dijksgracht aan het Oosterdok. In deze prijsvraag stond niet geformuleerd waar hem die ‘plus’ inzat, met andere woorden hoe deze horeca zich zou moeten onderscheiden van een reguliere horecavoorziening. Wouter Valkenier, Gijs de Waal en Pim Evers reageerden op de prijsvraag met het idee van Hannekes Boom, een horecapaviljoen waar evenementen konden plaatsvinden en waaraan bovendien een haventje zou worden toegevoegd. In mei 2010 kregen de drie te horen dat ze hadden gewonnen. De prijs was de locatie en medewerking van de gemeente; financieel moest alles verder zelf worden geregeld. De drie initiatiefnemers hadden in het proces meerdere petten op: zij waren opdrachtgever, financier, ontwerper, bouwer en eigenaar.
Ook richtten zij de B.V. op die momenteel Hannekes Boom exploiteert. De drie deden dus alles zelf, inclusief het bureaucratische proces van bouwaanvragen indienen en wijzigingen in het bestemmingsplan aanvragen. De financiering berust geheel op eigen investeringen. Om deze reden moesten de bouwkosten zo laag mogelijk worden gehouden, wat ertoe leidde dat een half jaar lang afvalmateriaal werd verzameld, waarmee later het paviljoen is gebouwd. Met de Gemeente is een tijdelijke bestemming van vijf jaar (tot medio 2016) afgesproken.
Om ervoor te zorgen dat Hannekes Boom een goed eerste seizoen zou draaien, was het belangrijk al in het voorjaar open te gaan. In minder dan een jaar moesten daarom de plannen worden gemaakt, het materiaal worden verzameld, de benodigde vergunningen worden aangevraagd en het paviljoen worden gebouwd en ingericht. Aan deze planning werd voldaan. Beoogd was bovendien om de investeringen in drie jaar terug te verdienen om daarna nog twee jaar winst te kunnen maken. Op deze planning wordt inmiddels vooruitgelopen.
Structurele kostenposten zijn het onderhoud van het gebouw en de huur van de locatie. Als de vergunning afloopt moeten kosten worden gemaakt voor de sloop van het paviljoen. Inkomsten worden gegenereerd door de horeca en mogelijkerwijs komt de Stichting in aanmerking voor een éénmalige subsidie van de provincie Noord-Holland.
Ook Hannekes Boom vertoont veel kenmerken van een bottom-up project. Maar omdat het horecapaviljoen voortkomt uit een prijsvraag waarin bovendien de functie van het gebouw al vastlag, is hier toch duidelijk sprake van top-down planning. Vooral vanwege deze fawijkende aanloopfase is het project niet opgenomen in het eerste hoofdstuk van dit rapport. Waar de initiatiefnemers van een echt bottom-up vaak een zware taak hebben aan het vinden van gemeentelijke steun voor hun ideeën - zie bijvoorbeeld de Afbramerij - was dat bij Hannekes Boom geenszins nodig. Uiteraard bevat de organisatiestructuur van het project bevat wel leermomenten voor bottom-up projecten.
In 2010 schreef de Gemeente Amsterdam een prijsvraag uit voor tijdelijke “horeca-plus” op de kop van de Dijksgracht aan het Oosterdok. In deze prijsvraag stond niet geformuleerd waar hem die ‘plus’ inzat, met andere woorden hoe deze horeca zich zou moeten onderscheiden van een reguliere horecavoorziening. Wouter Valkenier, Gijs de Waal en Pim Evers reageerden op de prijsvraag met het idee van Hannekes Boom, een horecapaviljoen waar evenementen konden plaatsvinden en waaraan bovendien een haventje zou worden toegevoegd. In mei 2010 kregen de drie te horen dat ze hadden gewonnen. De prijs was de locatie en medewerking van de gemeente; financieel moest alles verder zelf worden geregeld. De drie initiatiefnemers hadden in het proces meerdere petten op: zij waren opdrachtgever, financier, ontwerper, bouwer en eigenaar.
Ook richtten zij de B.V. op die momenteel Hannekes Boom exploiteert. De drie deden dus alles zelf, inclusief het bureaucratische proces van bouwaanvragen indienen en wijzigingen in het bestemmingsplan aanvragen. De financiering berust geheel op eigen investeringen. Om deze reden moesten de bouwkosten zo laag mogelijk worden gehouden, wat ertoe leidde dat een half jaar lang afvalmateriaal werd verzameld, waarmee later het paviljoen is gebouwd. Met de Gemeente is een tijdelijke bestemming van vijf jaar (tot medio 2016) afgesproken.
Om ervoor te zorgen dat Hannekes Boom een goed eerste seizoen zou draaien, was het belangrijk al in het voorjaar open te gaan. In minder dan een jaar moesten daarom de plannen worden gemaakt, het materiaal worden verzameld, de benodigde vergunningen worden aangevraagd en het paviljoen worden gebouwd en ingericht. Aan deze planning werd voldaan. Beoogd was bovendien om de investeringen in drie jaar terug te verdienen om daarna nog twee jaar winst te kunnen maken. Op deze planning wordt inmiddels vooruitgelopen.
Structurele kostenposten zijn het onderhoud van het gebouw en de huur van de locatie. Als de vergunning afloopt moeten kosten worden gemaakt voor de sloop van het paviljoen. Inkomsten worden gegenereerd door de horeca en mogelijkerwijs komt de Stichting in aanmerking voor een éénmalige subsidie van de provincie Noord-Holland.
Ook Hannekes Boom vertoont veel kenmerken van een bottom-up project. Maar omdat het horecapaviljoen voortkomt uit een prijsvraag waarin bovendien de functie van het gebouw al vastlag, is hier toch duidelijk sprake van top-down planning. Vooral vanwege deze fawijkende aanloopfase is het project niet opgenomen in het eerste hoofdstuk van dit rapport. Waar de initiatiefnemers van een echt bottom-up vaak een zware taak hebben aan het vinden van gemeentelijke steun voor hun ideeën - zie bijvoorbeeld de Afbramerij - was dat bij Hannekes Boom geenszins nodig. Uiteraard bevat de organisatiestructuur van het project bevat wel leermomenten voor bottom-up projecten.
Heesterveld - in opdracht van Ymere
Het derde artikel in de reeks over projecten met een bottom-up
geïnspireerde werkwijze.
Het gebouwencomplex Heesterveld in Amsterdam-Zuidoost had een slecht imago. Ymere, eigenaar van het complex, is op 1 oktober 2009 begonnen met de formele uithuisplaatsing van de oude bewoners in aanloop naar de sloop van het complex, die gepland stond voor 2012. De bedoeling van Ymere is om op deze locatie nieuwbouw met sociale woningbouw (30%), vrije sector huurhuizen en koopwoningen te ontwikkelen.
In 2009 heeft Ymere Eva de Klerk, initiator van de Kunststad in de NDSM-loods in Noord, in de arm genomen om een plan te bedenken en uit te voeren voor de periode tot aan de sloop. In het projectvoorstel van Eva de Klerk schrijft zij: “het liefst ziet de regiodirecteur [van Ymere, red.] een hotspot ontstaan zoals Blijburg (een burgerinitiatief)”. Ymere, een traditionele partij in stedelijke ontwikkeling, erkent zodoende de betekenis die Blijburg (een bottom-up project) heeft gehad – en nog steeds heeft – voor zijn omgeving en huurt Eva de Klerk (een bottom-upper pur sang) in om rond Heesterveld een soortgelijk proces in gang te zetten.
Eva de Klerk nam de opdracht aan en stelde voor om Heesterveld in een jaar tijd om te vormen tot een culturele en creatieve ‘H-Spot’ waar lokaal ondernemerschap wordt gecombineerd met maatschappelijke functies. Bovendien moet een culturele programmering zorgen voor aanloop van buiten de wijk. Momenteel wonen en werken in het complex studenten van kunstacademies die er tevens hun werk exposeren. Ook wordt in het complex horeca gecreëerd. Om het gebouw straks in het oog te laten springen van iedere passant werkt de Klerk met een bevriende kunstenaar aan een ontwerp voor een gevelschildering.
Dat Ymere voor deze aanpak in de tussentijd heeft gekozen, geeft aan dat traditionele partijen de kracht inzien van persoonlijk initiatief en het organische groeiproces. Maar vergeleken met echte bottom-up projecten – die binnen de in de inleiding gestelde definitie vallen – is de doelstelling van dit project duidelijk anders: Ymere heeft imagoverbetering van de locatie en de omgeving voor ogen, om uiteindelijk de ontwikkelde locatie goed te kunnen verkopen of verhuren, terwijl echte burgerinitiatieven vaak voortkomen uit wensen op een kleiner schaalniveau. Voor een burgerinitiatief kan de ontwikkeling van een plek tot creatieve hotspot een doel op zich zijn, voor een partij als Ymere is het altijd ook een middel, een instrument om een ander doel naderbij te brengen. Verondersteld kan dan ook worden dat dit instrument door een geïnstitutionaliseerde partij als Ymere niet langer wordt gebruikt zodra het geld voorhanden is om de locatie gelijk te ontwikkelen.
Het gebouwencomplex Heesterveld in Amsterdam-Zuidoost had een slecht imago. Ymere, eigenaar van het complex, is op 1 oktober 2009 begonnen met de formele uithuisplaatsing van de oude bewoners in aanloop naar de sloop van het complex, die gepland stond voor 2012. De bedoeling van Ymere is om op deze locatie nieuwbouw met sociale woningbouw (30%), vrije sector huurhuizen en koopwoningen te ontwikkelen.
In 2009 heeft Ymere Eva de Klerk, initiator van de Kunststad in de NDSM-loods in Noord, in de arm genomen om een plan te bedenken en uit te voeren voor de periode tot aan de sloop. In het projectvoorstel van Eva de Klerk schrijft zij: “het liefst ziet de regiodirecteur [van Ymere, red.] een hotspot ontstaan zoals Blijburg (een burgerinitiatief)”. Ymere, een traditionele partij in stedelijke ontwikkeling, erkent zodoende de betekenis die Blijburg (een bottom-up project) heeft gehad – en nog steeds heeft – voor zijn omgeving en huurt Eva de Klerk (een bottom-upper pur sang) in om rond Heesterveld een soortgelijk proces in gang te zetten.
Eva de Klerk nam de opdracht aan en stelde voor om Heesterveld in een jaar tijd om te vormen tot een culturele en creatieve ‘H-Spot’ waar lokaal ondernemerschap wordt gecombineerd met maatschappelijke functies. Bovendien moet een culturele programmering zorgen voor aanloop van buiten de wijk. Momenteel wonen en werken in het complex studenten van kunstacademies die er tevens hun werk exposeren. Ook wordt in het complex horeca gecreëerd. Om het gebouw straks in het oog te laten springen van iedere passant werkt de Klerk met een bevriende kunstenaar aan een ontwerp voor een gevelschildering.
Dat Ymere voor deze aanpak in de tussentijd heeft gekozen, geeft aan dat traditionele partijen de kracht inzien van persoonlijk initiatief en het organische groeiproces. Maar vergeleken met echte bottom-up projecten – die binnen de in de inleiding gestelde definitie vallen – is de doelstelling van dit project duidelijk anders: Ymere heeft imagoverbetering van de locatie en de omgeving voor ogen, om uiteindelijk de ontwikkelde locatie goed te kunnen verkopen of verhuren, terwijl echte burgerinitiatieven vaak voortkomen uit wensen op een kleiner schaalniveau. Voor een burgerinitiatief kan de ontwikkeling van een plek tot creatieve hotspot een doel op zich zijn, voor een partij als Ymere is het altijd ook een middel, een instrument om een ander doel naderbij te brengen. Verondersteld kan dan ook worden dat dit instrument door een geïnstitutionaliseerde partij als Ymere niet langer wordt gebruikt zodra het geld voorhanden is om de locatie gelijk te ontwikkelen.
Zeilen over het Zeeburgereiland – een prijsvraag van de gemeente
Het
tweede artikel in de reeks over projecten met een bottom-up
geïnspireerde werkwijze.
Wie de
wind graag gebruikt als brandstof voor zijn wagen, hoeft daarvoor
niet meer naar een strand aan de Noordzee. Op het Zeeburgereiland
komt in de loop van dit jaar een zeilwagenpark. Dan kan iedereen daar
een driewieler met een zeil huren om een stukje te rijden.
Dinsdagochtend
heeft wethouder Maarten van Poelgeest voor het symbolische bedrag van
€1,- de
Sluisbuurt voor de komende tien jaar verhuurd aan Rutger Eltink.
Eltink is samen met Guido van Rijn de winnaar van de prijsvraag, die was uitgeschreven voor de
tijdelijke bestemming van de Sluisbuurt. Uit de zevenentwintig
inzendingen voor de prijsvraag had het plan van Eltink volgens de
jury de meeste meerwaarde voor Amsterdam.
Net
als in de Houthavens wil de Gemeente met het uitschrijven van de
prijsvraag ruimte bieden aan initiatief van
niet-geïnstitutionaliseerde partijen, mits het goed georganiseerd
is. Bepaalde
functies, waaronder woningbouw, uitgaansgelegenheden en grote
evenementen, zijn bij voorbaat uitgesloten. Volgens Projectbureau
IJburg is gebiedspromotie niet de beweegreden voor het tijdelijk
beschikbaar stellen van het Zeeburgereiland. Het werd door de
wethouder als zonde ervaren dat dit grote stuk stad jarenlang niet
gebruikt zou worden – in een stad waar vierkante meters schaars
zijn, en de prijs ervan hoog is.
Opvallend aan dit scenario van de gemeente om bottom-up initiatiefnemers op deze plek de ruimte te geven, is dat de prijsvraag oorspronkelijk werd uitgeschreven naar aanleiding van het initiatief Breakland. De initiatiefnemers hiervan, de Amsterdam Pioniers, waren al langere tijd bezig voet aan de grond te krijgen op het Zeeburgereiland, om aldaar hun project op te starten.
Toen de Gemeente de prijsvraag
uitschreef was er dan ook in eerste instantie vreugde bij de
Amsterdam Pioniers, tot bleek dat zij op geen enkele manier aan de
strenge randvoorwaarden konden voldoen. Deze loop van omstandigheden
geeft aan dat burgerinitiatieven en het overheidsapparaat dikwijls
moeilijk te verenigen zijn.
Bij
de bekendmaking van de winnaar, afgelopen dinsdag, adviseerde de jury
de Gemeente om een deel van het terrein open te houden voor
organische ontwikkeling. Eltink wil ook graag betrokken blijven bij
deze ontwikkelingen om te voorkomen dat te veel bebouwing op het
terrein de essentiële wind zal gaan belemmeren. Daarnaast zegt hij ook ruimte nodig te hebben voor het mogelijk maken van alternatieve activiteiten voor als op het zeilparcours een keer echt geen zuchtje wind staat.
Over
een jaar moet alles in de Sluisbuurt gereed zijn, inclusief loods
voor het onderhoud van de wagentjes en een passende
horecagelegenheid. Eltink wil nu eerst beginnen met het op een
natuurlijke manier verharden van de grond op het terrein. Over los
zand is het namelijk maar moeilijk zeilen. Na de zomer zouden dan de
eerste zeilwagens op het Zeeburgereiland al in actie te zien zijn.
Binnenkort
meer informatie op landzeilpark.nl en windnwheels.nl
Cascoland in de Kolenkitbuurt – in opdracht van Stadsdeel West
De afgelopen maanden is op deze blog al duidelijk geworden hoe veelomvattend het thema bottom-up is. Soms zijn projecten niet als 100% bottom-up te bestempelen, maar zijn ze wel duidelijk geïnspireerd op bottom-up ideeën. Zo is er de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze zichtbaar, die voortbouwt op buurtparticipatie en gebruik maakt van de creativiteit en inventiviteit van niet voor de hand liggende initiatiefnemers.
De komende tijd zullen hier enkele verhalen verschijnen over deze projecten, die misschien wel op initiatief van de gemeente of overheid ontstaan, maar met de gratie van de betrokkenheid van bewoners pas echt succesvol worden.
Vandaag een eerste blog over de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West.
De komende tijd zullen hier enkele verhalen verschijnen over deze projecten, die misschien wel op initiatief van de gemeente of overheid ontstaan, maar met de gratie van de betrokkenheid van bewoners pas echt succesvol worden.
Vandaag een eerste blog over de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West.
Kunstenaarsinitiatief Cascoland
In september 2010 kreeg kunstenaarsinitiatief Cascoland de opdracht om de leefbaarheid van de Kolenkitbuurt te bevorderen. Deze opdracht werd gefinancierd uit gelden van OCW ten behoeve van de zogenaamde Vogelaarbuurten. Stadsdeel West kreeg de beschikking over het beschikbaar gestelde budget en vroeg Cascoland en twee andere partijen om plannen in te dienen. Het voorstel van Cascoland had de vorm van een scenarioschets, zonder harde beloftes over het verloop van het proces. Cascoland mocht dit plan ter revitalisatie van de buurt uitvoeren en ging in september 2010 aan de slag.
Cascoland is een internationaal netwerk van kunstenaars, architecten en ontwerpers, die interdisciplinaire interventies in de publieke ruimte uitvoeren om mensen te wijzen op het bestaan en de mogelijkheden van publieke ruimte. De werkwijze van Cascoland berust op mobilisatie en participatie. Drijvende krachten achter het netwerk zijn beeldend kunstenaars Fiona de Bell en Roel Schoenmakers.
Cascoland nam de opdracht van Stadsdeel Nieuw-West aan op voorwaarde van een carte blanche: De Bell en Schoenmakers wilden hun project kunnen realiseren zonder beperkingen vooraf. Aan het Stadsdeel heeft Cascoland zodoende alleen uiteengezet hoe het project zou kunnen verlopen. In de Kolenkitbuurt werkte Cascoland niet met een vooropgezette planning. De pilot liep van september 2010 tot 1 maart 2011. Na evaluatie werd besloten het project met een jaar te verlengen. Het liep af op 1 mei jl.
Buurtparticipatie
In een vroeg stadium van het project voerden medewerkers van Cascoland gesprekken met buurtbewoners. Hieruit kwam naar voren dat het gebrek aan leefbaarheid zoals dat werd gesignaleerd door overheden, niet werd ervaren door de bewoners: zij leefden er prettig, maar waren juist bang voor de stadsvernieuwing en de grote organen (de overheid en woningcorporaties). In de fysieke ruimte werd in deze fase. Ook werd geconcludeerd dat er in de wijk te weinig ontmoetingsplekken zijn.
Op basis van deze signaleringen startte Cascoland zijn culturele interventies, daarbij aansturend op een organisch groeiproces. In september 2010 werd een tijdelijk buurtrestaurant opgezet in één van de Piggelmeewoningen die aan de kunstenaars ter beschikking waren gesteld. In november werden mobiele kippenhokken geplaatst op het braakliggende Jan van Schaffelaarplantsoen. Bewoners werden aangesteld als beheerders van de kippenhokken. In vervolg hierop werden langs de Leeuwendalersweg mobiele tuintjes geplaatst. Door deze ingrepen hebben diverse braakliggende terreinen een tijdelijke invulling gevonden, waarmee de aantrekkelijkheid van dit deel van de stad is vergroot. Bovendien bleken de mobiele kippenhokken en tuintjes cruciaal voor het versterken van de sociale cohesie in de buurt.
Bottom-up?
Het initiatief van Cascoland vertoont veel kenmerken van een bottom-up project, zoals het organische groeiproces, het ontbreken van een duidelijke planning, het betrekken van de buurt bij de ontwikkelingen en het profiel van de initiatiefnemers. Tegelijkertijd is hier sprake van een opdracht door de overheid en dus lag het initiatief voor de ontwikkeling bij een institutionele partij, die bovendien een vorm van regie heeft gevoerd - al heeft Cascoland ook nadrukkelijk speelruimte opgeëist. De toevlucht tot deze andere manier van werken moet worden gezien in relatie tot de crisis, waardoor de vernieuwingsoperatie van Nieuw-West is gestagneerd. De aloude aanpak met renovatie, sloop en nieuwbouw was hierdoor niet langer mogelijk. Het project van Cascoland in de Kolenkitbuurt is een goed voorbeeld van het inzetten van “bottom-up” als instrument in de verdere ontwikkeling in tijden van economische crisis.
Status
Dit voorjaar hebben bewoners zich sterk gemaakt om onder andere het Jan van Schaffelaarplantsoen tot een blijvend succes te maken. Het braakliggende terrein, wat tijdelijk volstond was met kippenhokken, maakt tegenwoordig een andere indruk. Een afgedankte boomgaard van 4 kersen- en 16 perenbomen krijgt hier een tweede leven en de grond is nu bedekt met groen en boterbloemen. Het in eerste instantie mobiele kippenhok heeft een vaste plaats verworven en waar in de winter nog een schaatsbaan was, wordt nu gebarbecued.
Cascoland is een internationaal netwerk van kunstenaars, architecten en ontwerpers, die interdisciplinaire interventies in de publieke ruimte uitvoeren om mensen te wijzen op het bestaan en de mogelijkheden van publieke ruimte. De werkwijze van Cascoland berust op mobilisatie en participatie. Drijvende krachten achter het netwerk zijn beeldend kunstenaars Fiona de Bell en Roel Schoenmakers.
Cascoland nam de opdracht van Stadsdeel Nieuw-West aan op voorwaarde van een carte blanche: De Bell en Schoenmakers wilden hun project kunnen realiseren zonder beperkingen vooraf. Aan het Stadsdeel heeft Cascoland zodoende alleen uiteengezet hoe het project zou kunnen verlopen. In de Kolenkitbuurt werkte Cascoland niet met een vooropgezette planning. De pilot liep van september 2010 tot 1 maart 2011. Na evaluatie werd besloten het project met een jaar te verlengen. Het liep af op 1 mei jl.
Buurtparticipatie
In een vroeg stadium van het project voerden medewerkers van Cascoland gesprekken met buurtbewoners. Hieruit kwam naar voren dat het gebrek aan leefbaarheid zoals dat werd gesignaleerd door overheden, niet werd ervaren door de bewoners: zij leefden er prettig, maar waren juist bang voor de stadsvernieuwing en de grote organen (de overheid en woningcorporaties). In de fysieke ruimte werd in deze fase. Ook werd geconcludeerd dat er in de wijk te weinig ontmoetingsplekken zijn.
Op basis van deze signaleringen startte Cascoland zijn culturele interventies, daarbij aansturend op een organisch groeiproces. In september 2010 werd een tijdelijk buurtrestaurant opgezet in één van de Piggelmeewoningen die aan de kunstenaars ter beschikking waren gesteld. In november werden mobiele kippenhokken geplaatst op het braakliggende Jan van Schaffelaarplantsoen. Bewoners werden aangesteld als beheerders van de kippenhokken. In vervolg hierop werden langs de Leeuwendalersweg mobiele tuintjes geplaatst. Door deze ingrepen hebben diverse braakliggende terreinen een tijdelijke invulling gevonden, waarmee de aantrekkelijkheid van dit deel van de stad is vergroot. Bovendien bleken de mobiele kippenhokken en tuintjes cruciaal voor het versterken van de sociale cohesie in de buurt.
Bottom-up?
Het initiatief van Cascoland vertoont veel kenmerken van een bottom-up project, zoals het organische groeiproces, het ontbreken van een duidelijke planning, het betrekken van de buurt bij de ontwikkelingen en het profiel van de initiatiefnemers. Tegelijkertijd is hier sprake van een opdracht door de overheid en dus lag het initiatief voor de ontwikkeling bij een institutionele partij, die bovendien een vorm van regie heeft gevoerd - al heeft Cascoland ook nadrukkelijk speelruimte opgeëist. De toevlucht tot deze andere manier van werken moet worden gezien in relatie tot de crisis, waardoor de vernieuwingsoperatie van Nieuw-West is gestagneerd. De aloude aanpak met renovatie, sloop en nieuwbouw was hierdoor niet langer mogelijk. Het project van Cascoland in de Kolenkitbuurt is een goed voorbeeld van het inzetten van “bottom-up” als instrument in de verdere ontwikkeling in tijden van economische crisis.
Status
Dit voorjaar hebben bewoners zich sterk gemaakt om onder andere het Jan van Schaffelaarplantsoen tot een blijvend succes te maken. Het braakliggende terrein, wat tijdelijk volstond was met kippenhokken, maakt tegenwoordig een andere indruk. Een afgedankte boomgaard van 4 kersen- en 16 perenbomen krijgt hier een tweede leven en de grond is nu bedekt met groen en boterbloemen. Het in eerste instantie mobiele kippenhok heeft een vaste plaats verworven en waar in de winter nog een schaatsbaan was, wordt nu gebarbecued.
Paradijstuin
Buurttuinen zijn in opkomst. De opzet en functie ervan verschilt echter enorm van project tot project. De Paradijstuin is een buurttuin die sterk afwijkt van veel andere.
Profiel initiatiefnemers en doel project
De Stichting Jan Maijencollectief, bestaande uit bewoners van de Jan Maijenbuurt, wist in 2007 gedaan te krijgen dat in de leegstaande Mercatorschool een broedplaats werd ingericht. In mei 2011 vond op de grote binnenplaats van de voormalige school het evenement pop-up park plaats. Onder leiding van professionals konden buurtbewoners voor de binnenplaats een collectieve tuin ontwerpen. De buurtbewoners vatten vervolgens het plan op om hun ontwerp ook uit te voeren. Het leent zich daartoe, omdat het is geïnspireerd op het concept van de Arabische Riat: een Perzische paradijstuin, voor iedereen toegankelijk als ontmoetingsplek, maar alleen op specifieke tijdstippen. Daarbuiten gaat de tuin op slot.
Programma en planning
Het programma van de locatie is een tuin. Onderscheidend aan dit project is dat het geen moestuin betreft, maar een rustige binnentuin waar buurtbewoners kunnen samenkomen. Er wordt niet gewerkt met een planning. Al in 2007, kort nadat de leegstaande Mercatorschool in gebruik was genomen als broedplaats, leefde onder betrokken buurtbewoners het idee om op de binnenplaats van het schoolgebouw een tuin te realiseren. Toen de broedplaats in 2009 verdween bleef dit idee leven, waarna pogingen werden ondernomen om het project van de grond te krijgen met steun van het stadsdeel. In 2011 organiseerden het Jan Maijencollectief en het stadsdeel gezamenlijk het evenement pop-up park, dat werd geopend door de wethouder. Hierna is het balletje gaan rollen en realisatie dichterbij gekomen.
Profiel initiatiefnemers en doel project
De Stichting Jan Maijencollectief, bestaande uit bewoners van de Jan Maijenbuurt, wist in 2007 gedaan te krijgen dat in de leegstaande Mercatorschool een broedplaats werd ingericht. In mei 2011 vond op de grote binnenplaats van de voormalige school het evenement pop-up park plaats. Onder leiding van professionals konden buurtbewoners voor de binnenplaats een collectieve tuin ontwerpen. De buurtbewoners vatten vervolgens het plan op om hun ontwerp ook uit te voeren. Het leent zich daartoe, omdat het is geïnspireerd op het concept van de Arabische Riat: een Perzische paradijstuin, voor iedereen toegankelijk als ontmoetingsplek, maar alleen op specifieke tijdstippen. Daarbuiten gaat de tuin op slot.
Programma en planning
Het programma van de locatie is een tuin. Onderscheidend aan dit project is dat het geen moestuin betreft, maar een rustige binnentuin waar buurtbewoners kunnen samenkomen. Er wordt niet gewerkt met een planning. Al in 2007, kort nadat de leegstaande Mercatorschool in gebruik was genomen als broedplaats, leefde onder betrokken buurtbewoners het idee om op de binnenplaats van het schoolgebouw een tuin te realiseren. Toen de broedplaats in 2009 verdween bleef dit idee leven, waarna pogingen werden ondernomen om het project van de grond te krijgen met steun van het stadsdeel. In 2011 organiseerden het Jan Maijencollectief en het stadsdeel gezamenlijk het evenement pop-up park, dat werd geopend door de wethouder. Hierna is het balletje gaan rollen en realisatie dichterbij gekomen.
Ook nu is er echter nog geen vastomlijnde planning. Het buurtinitiatief is belast met zware organisatorische taken.
Financieel traject, organisatiestructuur en eigendomssituatie
De organisatiestructuur van het initiatief is een stichting, die nu moet worden omgevormd naar het concept van de community trust. Dit houdt in dat de voorheen kleine stichting verantwoordelijk wordt voor elke cent die iets van doen heeft met de tuin. De buurtbewoners die actief zijn in de stichting ervaren dit als ingewikkeld en tijdrovend. De financiële middelen komen van De Key en het stadsdeel. De grond is door de gemeente in erfpacht uitgegeven aan De Key.
Locatie-eigenschappen en schaal
De locatie is de binnentuin van de vroegere Mercatorschool, tussen de Jan Evertsenstraat en het Jan Maijenplein. Deze binnentuin beslaat ongeveer 2000 m2.
Status en toekomstperspectief
Het ontwerp van de tuin, van de hand van buurtbewoners die zijn begeleid door Copijn tuinarchitecten, is gereed. Momenteel is de stichting zich aan het professionaliseren naar het model van een community trust en daarnaast wordt bodemonderzoek verricht en vinden onderhandelingen plaats met Waternet. De stichting heeft een permanent huurcontract met het stadsdeel en De Key en is er inmiddels klaar voor om in augustus te beginnen met het aanleggen van de tuin.
Financieel traject, organisatiestructuur en eigendomssituatie
De organisatiestructuur van het initiatief is een stichting, die nu moet worden omgevormd naar het concept van de community trust. Dit houdt in dat de voorheen kleine stichting verantwoordelijk wordt voor elke cent die iets van doen heeft met de tuin. De buurtbewoners die actief zijn in de stichting ervaren dit als ingewikkeld en tijdrovend. De financiële middelen komen van De Key en het stadsdeel. De grond is door de gemeente in erfpacht uitgegeven aan De Key.
Locatie-eigenschappen en schaal
De locatie is de binnentuin van de vroegere Mercatorschool, tussen de Jan Evertsenstraat en het Jan Maijenplein. Deze binnentuin beslaat ongeveer 2000 m2.
Status en toekomstperspectief
Het ontwerp van de tuin, van de hand van buurtbewoners die zijn begeleid door Copijn tuinarchitecten, is gereed. Momenteel is de stichting zich aan het professionaliseren naar het model van een community trust en daarnaast wordt bodemonderzoek verricht en vinden onderhandelingen plaats met Waternet. De stichting heeft een permanent huurcontract met het stadsdeel en De Key en is er inmiddels klaar voor om in augustus te beginnen met het aanleggen van de tuin.
Nieuwe initiatieven in voorbereiding
Naast de vele bottom-up projecten die
al succesvol lopen, zijn er ook vele in voorbereiding in Amsterdam, die getuigen
van de grote inzet van Amsterdammers om zélf iets te ontwikkelen. De redenen
dat deze initiatieven nog niet lopen zijn verschillend. Sommige ideeën zijn net
ontstaan, andere initiatiefnemers zijn zich momenteel aan het organiseren en
weer andere krijgen veel lof voor hun uitgewerkte voorstellen, maar vinden
desalniettemin niet voldoende medewerking van verschillende partijen.
Hieronder een greep uit deze groep
nieuwe Amsterdamse initiatieven.
Drijvende Woonwijk Schoonschip
In januari 2008 maakte Marjan de
Blok een televisiereportage over de autarkische geWOONboot in Amsterdam. Zij
raakte hierdoor zo geïnspireerd dat zij zelf het plan heeft opgevat een
gemeenschap van dergelijke boten te maken. Inmiddels heeft zij een groep van 25
huishoudens verzameld die geïnteresseerd zijn om te wonen in een duurzame
drijvende woonwijk. Er staan bovendien nog zeventien gezinnen op een
reservelijst. De gekozen rechtsvorm is een stichting, omdat dit het snelst te
regelen was. Als het project daadwerkelijk gerealiseerd kan worden, wordt
gedacht aan een vereniging als rechtsvorm. De stichting bestaat nu uit zes
bestuursleden.
De stichting heeft al in meerdere
delen van de stad de mogelijkheden tot realisatie van de drijvende woonwijk
onderzocht: de Houthavens, Amsterdam-Oost en het meest recent de Buiksloterham
in Amsterdam-Noord. Op deze locatie heeft de gemeente 25 duurzame woonboten
gepland, waarmee het de ideale locatie voor Schoonschip is. Het realiseren van
deze woonboten was echter stil komen te liggen bij gebrek aan middelen.
Stichting Schoonschip heeft verschillende gesprekken met ambtenaren bij de
gemeente gehad om het realiseren van de duurzame boten op de 25 kavels weer te
revitaliseren. Bovendien heeft het bestuur van de stichting Maarten van
Poelgeest benaderd, die op zijn beurt Bureau Noordwaarts heeft ingezet. Hieropvolgend
is het onderzoek naar de levensvatbaarheid van de waterkavels weer opgepakt.
Dit haalbaarheidsonderzoek kon mogelijk worden gemaakt dankzij de inleg van
€750 per huishouden, €5000 van het Europees Sociaal Fonds en €30.000 van
Provincie Noord-Holland.
Momenteel wacht de stichting de
beslissing over het revitaliseren van de waterkavels af, waarover eind april 2012
besloten zal worden. Het is de vraag óf de gemeente dit op dit moment wil
ondernemen en daarna óf de kavels per stuk of collectief zullen worden
uitgegeven. Als er besloten wordt tot collectieve uitgave zal worden gestart
aan het verder uitwerken van een plan om in te dienen bij de Gemeente. De
uiteindelijke financiering zal waarschijnlijk worden mogelijk gemaakt door
hypothecaire leningen per huishouden en wellicht van enkele kleine subsidies.
Brugwachtershuisjes
In 2009 is vanuit de Gemeente
voorgesteld om de bediening van bruggen voortaan op afstand te laten
plaatsvinden, waardoor de brugwachtershuisjes leeg zouden komen te staan.
Begin 2011 hebben architectenbureau
Space & Matter en Grayfield Development samen het Lloyd Hotel benaderd met
het voorstel 28 van deze brugwachtershuisjes te hergebruiken als hotelsuites.
Het Lloyd Hotel was snel overtuigd van dit idee. Onafhankelijk van het Lloyd
Hotel heeft Space & Matter vervolgens een onderzoek verricht naar de
toekomstopties van klein utilitair vastgoed, waarvoor een startsubsidie is
toegekend door het Stimuleringsfonds voor de Architectuur. Dit onderzoek is nog
steeds gaande bij Space & Matter.
Het drietal – Space & Matter,
Grayfield en het Lloyd – heeft vervolgens de Gemeente benaderd met het voorstel
voor een duurzame hotelbestemming van de huisjes. Vanuit de Gemeente (de Dienst
Infrastructuur, Verkeer en Vervoer) is positief gereageerd op dit voorstel.
Naar aanleiding van het nieuwsbericht dat de bruggen voortaan op afstand zouden
worden bediend waren meerdere exploitatievoorstellen gekomen, maar de
hotelexploitatie was de enige die de gebouwtjes als groep zou herbestemmen.
Bovendien betekent de verhuur aan het Lloyd Hotel dat de Gemeente een
overeenkomst met één partij hoeft te maken.
Momenteel onderzoeken de Gemeente,
het Lloyd Hotel, Space&Matter en Grayfield hoe dit project praktisch
invulling kan krijgen. Vanuit alle partijen is er positieve zin om het project
te laten slagen, maar formele afspraken zijn er nog niet gemaakt. Over de
planning, het programma, de financiering en het toekomstperspectief kan
zodoende op dit moment nog niets gezegd worden.
Creative Cargo
Sponge Architects en Theaterplatform
PickUp hebben gezamenlijk Creative Cargo bedacht:
een concept voor tijdelijke gebiedsontwikkeling. Creative Cargo is een product dat aan ontwikkelaars wordt
aangeboden, om met de inzet van creatieve pioniers een tijdelijk braakliggend
terrein op de kaart te zetten. Aan het begin wordt duidelijk afgesproken dat de
creatieven en de ontwikkelaars een tijdelijke verbintenis aangaan met elkaar en
dat eerstgenoemden weer verder trekken op het moment dat het gebied verder
ontwikkeld wordt. De ontwikkelaars bieden de creatieven een tijdelijk huurcontract
en mobiele voorzieningen. Creative Cargo
gaat zodoende uit van een duurzaam, veranderbaar en verplaatsbaar systeem voor
langdurig hergebruik.
De initiatiefnemers hebben hun
voorstel bij verschillende instanties binnen en buiten de Gemeente Amsterdam
gepresenteerd: bij DRO, projectbureau’s, ING Vastgoed en projectontwikkelaars.
Tot dusver wordt er enthousiast gereageerd, maar is er nog geen eerste locatie
gevonden om het project te starten.
Urban Campsite
Initiatiefnemer Annette van Driel is
momenteel op zoek naar een braakliggend terrein voor haar vernieuwende idee om
deze een tijdelijke invulling te geven: de Urban
Campsite. Net als Creative Cargo van
Sponge Architects en PickUp zal de stadscamping voor een periode invulling
geven aan een terrein, in afwachting van de definitieve bestemming. Het doel
van het project is om ongebruikte grond om te zetten in een aantrekkelijke plek
voor bezoekers, maar ook voor stadsbewoners. Kunstenaars, ontwerpers en
architecten zullen de camping vormgeven en zo een bijzondere locatie in de stad
creëren, waar bezoekers op een bijzondere wijze kunnen verblijven, maar
Amsterdammers ook naar toe gaan.
Het idee van Annette van Driel
verkeert momenteel in de verkennende fase. Hoewel er enthousiast gereageerd
wordt op haar plan, blijkt er nog nergens de durf om met haar in zee te gaan.
De angst heerst dat de camping zal zorgen voor verrommeling.
Tijdelijk is het nieuwe permanent, experiment de structurele vorm – gastblog van Jurgen Hoogendoorn
ARCAM zal betrokkenen bij de ruimtelijke sector af
en toe gaan uitnodigen om een gastblog te schrijven voor
bottomuparcam.blogspot.com. Jurgen Hoogendoorn, beleidsadviseur
Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA) trapt af met zijn droombeeld van
het jaar 2016. Hij schrijft deze blog op persoonlijke titel.
...2016
was het jaartal waarmee ik met een enorme dorst wakker werd. Voor hetzelfde
geld - dat er niet meer is, maar daarover later meer - had het 2017 of 2018
kunnen wezen. De griep had mij flink bij de kladden gegrepen waardoor ik af en
toe weggleed in koortsachtige dromen. Gek eigenlijk, om te dromen over de
ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam. Gek, maar niet onprettig.
Einde van
een tijdperk
Sinds de
crisis van 2008 is er nogal wat veranderd in 2016. Het gemeentelijke apparaat
is sterk verkleind wegens forse bezuinigingen. Het Vereveningsfonds, voorheen
gevoed door opbrengsten van gronduitgifte voor kantoren en bron voor
investeringen in de ruimtelijke ontwikkeling in Amsterdam, staat er niet goed
voor. En omdat de vraag naar kantoren structureel zo goed als verdwenen is zijn
de vooruitzichten somber. Als gevolg hiervan kan de top down blauwdrukaanpak – die al sinds de jaren '80 van de vorige
eeuw bestond – niet meer door de gemeente worden volgehouden. Natuurlijk gaat
de ontwikkeling van de Zuidas gestaag door op de manier van weleer. Hier is
immers nog wel vraag naar kantoren. En daarbij komt het feit dat een groot deel
van de investeringen in de infrastructuur rond de Zuidas worden opgebracht door
de Rijksoverheid.
Van een
mammoettanker naar een klein, snel en wendbaar zeilschip.
Een algemeen
verschijnsel in 2016 is het maatschappelijk gebrek aan vertrouwen in de
overheid. Ook door de jarenlange top down
blauwdrukplanning was er in de samenleving zowel bij de bevolking als bij
bedrijven en organisaties veel wantrouwen jegens deze gemeentelijke planning
ontstaan. Dit uit zich in een sterk verlangen van de Amsterdamse samenleving om
het heft in eigen handen te nemen en zaken zonder de overheid te regelen. Een
verlangen van vooral jongeren (een immer grote groep in Amsterdam) die sinds
2010 hun opleiding afronden zonder enig zicht op werk. Voor het stadsbestuur –
zich bewust van de legitimiteitsvraag – is dit maatschappelijk verlangen naast
het ontbreken van geld een andere reden om een totaal nieuwe maar kleinere
gemeentelijke organisatie op basis van een andere sturingsfilosofie op te
tuigen. De grote diensten uit de toenmalige Ontwikkelingsalliantie hebben in
2016 dan ook plaats gemaakt voor een veel kleinere snellere en meer wendbare
organisatie. Dit proces ging gelukkig op een geleidelijke manier want wegens
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd stromen veel ambtenaren uit.
Een rizoom
van een nieuwe generatie ruimtelijke professionals
De veelal
jonge ruimtelijke professionals, zoals architecten, stedenbouwers, sociaal
wetenschappers, cultureel programmeurs, concept-ontwikkelaars en andere
creatievelingen, zijn niet werkloos bij de pakken neer gaan zitten. Zij willen
en kunnen bijdragen aan de samenleving. Zij verbinden zich vanuit een
onafhankelijke en zelfstandige positie als professional aan concrete
ruimtelijke opgaven of belangrijke thema's met een ruimtelijke component zoals
voedsel, energie, water, gezondheid en armoede. Juist omdat zij zich
maatschappelijk en van onderaf engageren, geniet het netwerk van ruimtelijke
professionals een hoge mate van vertrouwen bij de Amsterdamse bevolking,
bedrijven en organisaties. Onafhankelijk en zelfstandig betekent zeker niet
alleen, maar ook niet in organisaties, opereren. Het gaat hier om een
zogenaamde rizoom. Overigens bevat dit rizoom ook voormalige ambtenaren die hun
passie voor de stad en enorme know-how ook na hun pensionering blijven
inzetten. Afhankelijk van de opgave of het thema vormen deze jonge (en dus soms
ook oudere) ruimtelijke professionals – wendbaar, onafhankelijk en flexibel als
zij zijn – vanuit hun netwerken zeer
efficiënt werkende tijdelijke zwermen.
De stad
als co-product op basis van experimenten
Voor het
stadsbestuur komt dit rizoom niet ongelegen. Hierdoor kan de stad zich toch
doorontwikkelen; immers het proces- en projectmanagement en het ontwerpen wordt
grotendeels efficiënt uitgevoerd door het rizoom. Ruimtelijke professionals en
ambtenaren coproduceren en werken in 2016 vaak samen in een open-work-space in
de voormalige stadsdrukkerij aan de Stadstimmertuinen. Het Beta-haus en andere
cowerkplekken in Berlijn dienden bij de inrichting in 2013 als voorbeeld. De
gemeentelijke overheid hoeft zich door deze onafhankelijke maar maatschappelijk
geëngageerde tussenlaag van professionals minder druk te maken over de
legitimiteitsvraag. De instrumenten waarop de overheid – en middels dit rizoom
– de samenleving elkaar vinden zijn in tegenstelling tot het verleden veel
lichter van aard. Er wordt veel geëxperimenteerd met proces en instrumenten.
Dat wat niet werkt wordt snel terzijde geschoven.
Gluren bij
soms globale buren
Men laat zich
– met een grote nadruk op uitvoering – vooral inspireren door het buitenland.
Zoals de strategische aanpak van het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen. Ook
Berlijn – ondanks het feit dat de Duitse
hoofdstad rond de eeuwwisseling failliet is gegaan – een fascinerende
aantrekkelijk blijvende stad, inspireert. In de stedelijke vernieuwingsgebieden
(Nieuw-West, Zuidoost en Noord) wordt ook geput uit buitenlandse voorbeelden
zoals Engeland en Brazilië. Vooral de in de praktijk goed werkende Engelse
aanpak – uitgevonden rond het thema Big Society – wordt in 2016 massaal
ingezet. De belangrijkste paradigmashift is echter dat de gemeentelijke sturingsfilosofie
is gebaseerd op “loslaten, vertrouwen,verbinden” .
Een bont
ruimtelijk geheel
In het
Amsterdam van 2016 leidt dit tot een bont palet van ruimtelijke kleinschalige
projecten en werkwijzen rondom genoemde thema's. Door samenwerking tussen de
zwermen uit het rizoom en een flexibel, faciliterend ambtelijk apparaat komen
vele van deze projecten al coproducerend tot een succes (en soms ook niet).
In de
stedelijke vernieuwingsgebieden is het aanbieden van klusflats – sinds het
succes hiervan in de MJ Klarenstraat in 2012, de overheersende vorm waarin de
woningen worden vernieuwd. Zowel voor de daar al wonende bevolking als nieuwe
stedelingen biedt het fenomeen klusflats ongekende maar vooral betaalbare
perspectieven. De metamorfose van de oorspronkelijk modernistische wijk HayMohammadi in Casablanca vormt meer dan
eens een inspiratiebron. Leegstaande winkel- en kantoorruimte van zowel
overheid, corporaties als bedrijven met name in Noord, Zuidoost, Nieuw-West
zijn ingenomen door bewonersondernemingen. Een vorm die in 2012 opkwam en ook
wel trust wordt genoemd.
Nieuwbouw
vindt mondjesmaat plaats op de vele bouwrijpe gronden die de stad sinds 2011
kent en dan vooral in de vorm van (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap.
Tijdelijk
is het nieuwe permanent
Bewoners van
de laatste grootschalige woningbouw (IJburg fase 1) gebruiken de coöperatievorm
voor hun energievoorziening. Onder de naam “Energijburg“ hebben zij de
concessie verworven om tijdelijk op het beoogde (grondgebied van) IJburg fase
2, zowel windmolens als drijvende blokken met zonnecellen in het water te
realiseren.
Op het
naburige Zeeburgereiland vindt in 2016 het tot een landelijk bekend geworden
(en ooit tijdelijk bedoelde) fenomeen het Magneet-festival plaats. Naast het
Magneet-festival (er is immers ruimte genoeg op het in 2011 bijna geheel
braakliggende Zeeburgereiland) proberen pioniers onder de naam “Pauzestad”
tijdelijk nieuwe experimentele vormen van collectief particuliere stedenbouw
uit. Pauzestad vormt op zijn beurt weer inspiratie voor Städtebaugruppe in
Duitsland en dan met name in Berlijn.
De
randvoorwaarden voor tijdelijk gebruik van braakliggende terreinen zijn
teruggebracht tot vier woorden; schoon, heel, veilig en gezond. Het is aan het
initiatief om uit te zoeken en aan te geven hoe men hier invulling en vorm aan
geeft. Op het braakliggende sportpark Riekerhaven zijn de vervuilde sloten en
de vervuilde bagger op de slootkanten inmiddels gereinigd met behulp van
planten. Op de voormalige sportvelden wordt gerst verbouwd. In de voormalige
kantine en kleedkamers staan de brouwketels waarmee lokaal bier wordt gebrouwd
en...
Jurgen Hoogendoorn, beleidsadviseur
Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam. Deze blog is geschreven op
persoonlijke titel.
Community Lover's Guide to Amsterdam!
Op 11
mei vond bij ARCAM de booklaunch van de Community Lover's
Guide to Amsterdam plaats. Deze publicatie bundelt veertien
verhalen over initiatieven in Amsterdam, opgezet door bewoners,
sociale entrepreneurs en ideële organisaties, waarin op een
creatieve manier mensen met elkaar en hun omgeving worden verbonden.
Initiatieven
die voorkomen in de gids zijn onder andere de Noorderparkkamer in
Noord en de Stichting Postzegelparken. Ook de op dit blog eerder
genoemde buurtmoestuin van kunstenares Natascha Hagenbeek, die de
naam 'I can change the world with my two hands' draagt, komt
uitgebreid aan bod.
De gids
maakt deel uit van de reeks The Community Lover's Guide to the
Universe, waarbij wereldwijd lokale verhalen gebundeld worden van
vindingrijke bewoners en hun buurtprojecten. Het unieke aan deze
reeks is dat alle gidsen online gratis zijn in te kijken via
www.communityloversguide.org en Blurb.
Ook de Amsterdamse versie, onder redactie van Jonmar van Vlijmen, is
hier zodoende gratis te bekijken! Via www.blurb.com
is het boek tevens in gedrukte versie te bestellen.
Bouwgroepen en zelfbouwwijken
In de Volkskrant verscheen onlangs een artikel over zelfbouwwijken in Almere. De website van de gemeente Almere vertelt dat het idee van de zelfbouwwijk gebaseerd is op de Duitse Baugemeinschaften. Onderstaand volgt een korte toelichting op deze Duitse vorm van zelfbouw, afsluitend met een ingekorte weergave van het artikel uit de Volkskrant.
In Duitsland
verankeren Baugemeinschaften zich
steeds sterker in de stadsontwikkeling. Mensen bouwen op een ontspannen en
kleinschalige manier samen meer dan individueel mogelijk is, zonder daarbij
afhankelijk van elkaar te zijn.
In steden als
Tübingen, Stuttgart, Freiburg, Berlijn en Hamburg is een bouwgroep lang niet
meer uitzonderlijk. In Hamburg reserveert de stad een belangrijk deel van de
beschikbare grond voor bouwgroepen, zodat mensen in gezamenlijkheid
appartementengebouwen kunnen realiseren, en het ook voor lagere inkomensgroepen
mogelijk is deel te nemen.
In de stad
Tübingen is veel aandacht besteed aan het mengen van het wonen, werken en
levendigheid op straat. Op een braakliggend militair terrein zijn in vijftien
jaar tijd twee grote wijken - Loretto Viertel en Französisches Viertel - door bouwgroepen
gebouwd.
Dit
zogenaamde ‘Tübingen-model’ (een model dat zich kenmerkt door variatie, kleinschaligheid
en dichtheid) heeft als inspiratie gediend voor de ontwikkeling van
Homeruskwartier Centrum in Almere.
Zelfbouw
Het zelf ontwerpen van een huis raakt in de mode. Zeker in West Almere, waar wethouder Adri Duivesteijn die aanpak propageert.
De wethouder wil al jaren dat Nederland anders gaat bouwen: “Het moest maar eens afgelopen zijn met de planmatigheid met de Vinex-eenvormigheid, met de Hollandse gewoonte alles 'dicht te regelen'. Daar krijg je alleen maar een landschap in slagorde van, en veel te dure huizen bovendien. Waarom zouden stedebouwkundigen, politici, ambtenaren en projectontwikkelaars bepalen hoe de Nederlander moet wonen? Het is pervers dat de overheid alles regelt, tot aan de kleur van de stoeptegels toe.”
Ook de Amsterdamse (GroenLinks-) wethouder Maarten van Poelgeest wil duizend stukjes grond verkopen; De tweede fase van IJburg zou bijna geheel op die manier tot stand moeten komen.
Ondanks alle bijval die Duivesteijn tegenwoordig krijgt, blijft het een lastig streven om mensen zelf hun eigen stad te laten bouwen:“Wat weerbarstig is, is de overheid. Ook die van onszelf, in Almere. Alles is gericht op controle. Regeltjes zijn heilig, dat is er ingestampt in Nederland, en zo werken onze ambtenaren dus ook. We gaan onze eigen ambtenaren nu een masterclass geven, om ze vertrouwen te geven in het nieuwe model. Als het moet, overtreden we de wet. We willen van Almere een vrijstaat maken.”
Dit is een verkorte weergave van het artikel ‘Leve de verrommeling’ in de Volkskrant van 10/12/11.
Het volledige artikel is hier te lezen: Leve de verrommeling
XXX-en
Eind jaren tachtig verscheen Nieuw-Oost op de tekentafels als één van de nieuwe VINEX-locaties, dichtbij de stad. Later is de naam Nieuw-Oost toegekend aan IJburg. De eilanden van IJburg zijn gemaakt door het laag voor laag opbrengen van zand: de pannenkoekmethode.
Bij de ontwikkeling van de Amsterdamse wijk IJburg is aan particulier opdrachtgeverschap van begin af aan ruimte gegeven. Zo is bijvoorbeeld op het Steigereiland een belangrijk aantal huizen door de bewoners zelf ontworpen en gebouwd.
Volgens wethouder Maarten van Poelgeest moet de nieuwbouwwijk IJburg voor de helft uit zelfbouw bestaan, met meer zeggenschap voor zelfbouwers over de inrichting van hun woonomgeving. De wethouder meent dat zelfbouw bijdraagt aan een levendig straatbeeld, meer differentiatie in woningtypen en grotere bewonersbetrokkenheid. De XXX-en is een vorm van een zakelijk collectief opdrachtgeverschap en toont dat ook ondernemers zich verenigen om een zelfbouw project te kunnen initiëren.
Profiel initiatiefnemers en doel project
Dirk Jan Wieringhen Borski van BNB
Architecten en René de Prie van BO6 Architecten waren in 2007 beiden al
anderhalf jaar op zoek naar een geschikte locatie in Amsterdam om
bedrijfsruimte voor hun architectenbureau’s te realiseren. Beiden wisten echter
niet van elkaar dat ze zochten, maar ze deden het wel met dezelfde motivatie:
de gemeente Amsterdam gaf al jaren aan het midden- en kleinbedrijf te willen helpen
en stimuleren en dit was een gelegenheid om die hulp te bieden. De gemeente
heeft ervoor gezorgd dat beiden met elkaar in gesprek kwamen om hun krachten te
bundelen. Gezamenlijk gingen zij de uitdaging aan om een kavel dat geschikt was
voor 3500 m2 – en daarmee eigenlijk erg groot was voor de twee
architectenbureau’s – te ontwikkelen. Van de gemeente kregen zij twee maanden
om met een schetsontwerp, 60 % intentieverklaringen van eindgebruikers en een
financiële onderbouwing te komen. Binnen deze gestelde termijn verkregen René
de Prie en Dirk Jan Wieringhen Borski zelfs 90% intentieverklaringen. De
initiatiefnemers zijn beiden architect en waren op zoek naar nieuwe werkruimte.
De noodzaak van meer ruimte was echter niet de enige motivatie voor het aangaan
van de opgave. Beide bureau’s hadden tevens de wens om een dergelijk project
zelfstandig – zonder ontwikkelaar – aan te pakken. Dit was ook de eis van de
gemeente: het project moest zonder ontwikkelaar worden verricht en in opdracht
van de eindgebruikers.
Programma en planning
Het programma van het gebouw bestaat
uit kantoren, bedrijfsruimtes en een kleine showroom. De planning bestond uit
verschillende stadia. In eerste instantie moest een schetsontwerp, financiële
onderbouwing en toezegging van 60% van de huurders binnen twee maanden worden
gerealiseerd. Hierop volgend is één jaar uitgetrokken voor het ontwerp,
anderhalf jaar voor het verdere uitdenken van het plan en het realiseren van de
benodigde contracten en één jaar om te bouwen. In drieëneenhalf jaar was het
gebouw de XXX-en gerealiseerd.
Financieel traject, organisatiestructuur en
eigendomssituatie
De tien partijen waren georganiseerd
in een Vereniging van Opdrachtgevers. De afspraak was dat elke partij vanaf het
allereerste moment de daadwerkelijke kosten zou betalen. Gedurende het proces
werd zodoende elke rekening door de tien partijen (per m2) gedeeld, waardoor
elke partij tijdens de ontwerp- en bouwperiode langzaam de ontwikkelingskosten
betaalden. De vereniging was opdrachtgever aan de architect en aan de aannemer
en deed de bouwaanvraag.
Met de aannemer is per partij voor
het bouwproces een aparte koop- en aanneemovereenkomst bijgekomen, waardoor het
bouwrisico bij de aannemer lag en het ontwikkelingsrisico bij de
initiatiefnemers. René de Prie en Dirk Jan Wieringhen Borski hadden met elke
partij afgesproken dat €1900
ontwikkelingskosten per vierkante meter het streven was, maar dat deze
niet hoger mochten worden dan €2150. Wanneer dit wel het geval zou zijn was het
de partijen toegestaan uit het project te stappen. Op basis van deze afspraak
heeft elke partij apart een hypothecaire lening aangevraagd. De kosten zijn
uiteindelijk geïndexeerd rond de €1900 uitgekomen. Het gebouw is nu eigendom
van de tien partijen, die elk appartementsrechten hebben. De erfpacht is per
partij uitgegeven en wordt ofwel per jaar betaald ofwel is voor vijftig jaar
afgekocht.
Locatie-eigenschappen en schaal
Het gebouw de XXX-en bevindt zich op
de kop van IJburg aan de Pedro de Medinalaan, vlakbij de Enneüs Heermabrug. Het
gebouw is goed zichtbaar vanaf de A10. Het gebouw is ongeveer 3400 m2 groot en
bestaat uit vier lagen. Het grondoppervlak is ongeveer 850 m2.
Status en toekomstperspectief
In 2010 is het gebouw opgeleverd.
Gezien de permanente bouwvergunning gaat het een zekere toekomst tegemoet.
Abonneren op:
Posts (Atom)


















